Wetenschappelijk Positief Diervriendelijk

Diertraining voor de

Verzorger op de vloer

Onderbouwde kennis over welzijn, verrijking en training vertaald naar wat je morgen in het verblijf kunt doen

DIEREN TRAINEN

Diertraining is het doelbewust toepassen van gedragswetenschappelijke kennis om dieren specifieke vaardigheden of reacties aan te leren. Training is daarbij meer dan het aanleren van gedrag: het is een vorm van tweerichtingscommunicatie waarmee mens en dier op een duidelijke, voorspelbare en coöperatieve manier met elkaar kunnen samenwerken.

Training kan verschillende doelen dienen, zoals het ondersteunen van medische zorg, vergroten van de veiligheid, verrijken van dagelijkse routines en helpen van dieren om zich beter in hun omgeving te oriënteren. De toegepaste technieken zijn gebaseerd op principes uit de gedragswetenschappen en omvatten onder andere operante conditionering (waaronder de vier kwadranten), klassieke conditionering, gewenning, shaping, sociaal leren en probleemoplossing door trial-and-error.

Deze leerprincipes worden doelgericht, zorgvuldig en adaptief toegepast, met aandacht voor het welzijn, de individuele geschiedenis, de mogelijkheden en de autonomie van het dier. Het uitgangspunt is steeds een effectieve en ethische samenwerking tussen mens en dier.

Op deze pagina worden de belangrijkste concepten en terminologie rondom gedragsgerichte training met dieren geïntroduceerd. Of je nu nieuw bent in gedragsgerichte dierverzorging of je kennis verder wilt verdiepen: inzicht in deze fundamentele leerprocessen vormt de basis voor het ontwikkelen en toepassen van effectieve, ethische en diergerichte trainingsprogramma’s.

Wat is trainen?

Iedereen heeft wel eens getraind, bewust of onbewust. Je hebt wel eens geholpen bij de training, je hebt het wel eens waargenomen en ook onbewust dierengedrag beïnvloed. 

Trainen = Leren.

Dieren leren altijd. Het is onderdeel van het dier waardoor ze in staat worden gesteld zich staande te houden in de veranderende omgeving. Ze passen hun gedrag aan door informatie tot zich te nemen. Ze pikken minimale signalen op waardoor het mogelijk is te overleven!

Wat trainen precies is hangt ook af van je definitie. Hier gaan we vanuit dat het dier iets moet leren, de leerprincipes spelen een rol en ook de context. Een eenmalige reactie op een prikkel is géén training daardoor. Herhaling is nodig, voorspelbaarheid en de condities (criteria) zijn duidelijk. 

Definitie in de professionele setting

“Het opzettelijk veranderen van gedrag met een bewustzijn en begrip van de leerprincipes, en het toepassen van deze principes op individuele dieren of groepen dieren in beheerde zorg”.

Diertraining ondersteunt de doelstellingen van de dierentuin zoals:

  1. Bijdrage aan een optimaal welzijn.
  2. Natuurbehoud.
  3. Bezoekers inspireren.
  4. Wetenschappelijke kennis bevorderen.

Het is even belangrijk als passende voeding, veterinaire zorg, verrijking en geschikte leefomgeving.

Essentieel in de dierenzorg

Natuurlijk gedrag in de dierentuin

Dieren die in een dierentuin of andere professionele dierhouderijomgeving leven, bevinden zich in een omgeving die op belangrijke punten verschilt van hun natuurlijke leefomgeving. Veel dagelijkse uitdagingen waarvoor een dier in het wild oplossingen moet vinden, zijn in gevangenschap verminderd of volledig weggenomen. Er zijn bijvoorbeeld doorgaans geen predatoren waarvoor het dier voortdurend alert hoeft te zijn, voedsel hoeft niet zelfstandig te worden opgespoord of bemachtigd en het vinden van een partner is vaak geen dagelijkse noodzaak. Ook grote natuurlijke verplaatsingen, zoals migratie, worden niet op dezelfde manier uitgevoerd.

Dit betekent niet dat natuurlijk gedrag in een dierentuin niet belangrijk is. Integendeel: juist doordat bepaalde natuurlijke uitdagingen ontbreken, is het relevant om te kijken welke gedragsmogelijkheden het dier wél krijgt en hoe de omgeving het dier uitnodigt om actief te zijn, keuzes te maken en zijn gedragsrepertoire te gebruiken.

Wat verandert er in een dierentuin?

In een natuurlijke omgeving kunnen dieren hun gedrag voortdurend afstemmen op veranderende omstandigheden. Ze zoeken voedsel, vermijden risico’s, onderzoeken hun omgeving, zoeken soortgenoten of partners en leggen soms grote afstanden af. In een dierentuin worden veel van deze omstandigheden bewust gereguleerd vanuit het oogpunt van dierenwelzijn, veiligheid, gezondheid en verzorging.

Daarbij ontstaan andere vormen van gedrag en uitdagingen. Een dier kan bijvoorbeeld:

  • zich verplaatsen tussen verschillende verblijven of ruimtes;
  • het beschikbare verblijf op verschillende manieren gebruiken;
  • nieuwe objecten, geuren of veranderingen in de omgeving onderzoeken;
  • keuzes maken tussen verschillende rust-, foerageer- en activiteitenplekken;
  • deelnemen aan medische of veterinaire handelingen;
  • meewerken aan terugkerende gezondheidscontroles;
  • gedrag inzetten om ongemak of veranderingen in de eigen toestand kenbaar te maken;
  • deelnemen aan preventieve gezondheidszorg, zoals wegen, inspecties of verzorgingshandelingen.

Deze gedragingen zijn niet noodzakelijk een één-op-één vervanging van wat een dier in het wild zou doen. Het doel is ook niet om de natuurlijke omgeving volledig na te bootsen. Een dierentuin biedt een gecontroleerde leefomgeving, waarin wordt gezocht naar manieren om dieren voldoende mogelijkheden te geven om gedrag te vertonen dat bij hun soort, individu en omstandigheden past.

Moderne eisen aan dierentraining

Van traditionele naar moderne diertraining

De manier waarop dieren worden getraind, is door de jaren heen sterk veranderd. Waar training vroeger vaak gericht was op entertainment, controle en het uitvoeren van kunstjes, ligt binnen moderne diertraining de nadruk steeds meer op welzijn, samenwerking, leerprincipes, motivatie en het individuele dier.

Historische benadering

Historisch gezien werd diertraining regelmatig ingezet vanuit menselijk gemak, entertainment of commerciële doeleinden. Dieren werden getraind om kunstjes uit te voeren, deel te nemen aan shows of voor demonstraties en fotografie te worden ingezet. Vooral charismatische dieren kregen hierbij aandacht.

Training kon sterk gericht zijn op het verkrijgen van controle over het dier. Voedsel werd soms bewust beperkt om de motivatie om te trainen te verhogen. Daarnaast werden methoden toegepast waarbij dwang, druk of het vermijden van onaangename gevolgen een belangrijke rol speelden.

Binnen deze benadering stond de vraag “Wat willen we het dier laten doen?” vaak meer centraal dan de vraag “Wat heeft het dier nodig om dit gedrag op een veilige en begrijpelijke manier te leren?”

Moderne benadering

Moderne diertraining is steeds meer gebaseerd op kennis uit de gedragswetenschappen en op een systematische benadering van leren. Het doel is niet alleen dat een dier bepaald gedrag uitvoert, maar ook dat het trainingsproces veilig, voorspelbaar, begrijpelijk en zo min mogelijk belastend is.

Belangrijke uitgangspunten zijn:

  • Geen onnodige angst of agressie: training wordt zo ingericht dat het geen onnodige angst, stress of agressieve reacties oproept.
  • Korte en passende leersessies: trainingsmomenten worden afgestemd op de belastbaarheid, motivatie en concentratie van het individuele dier.
  • Shaping: gewenst gedrag wordt stapsgewijs opgebouwd door opeenvolgende kleine gedragsveranderingen te bekrachtigen.
  • Bekrachtiging: gewenst gedrag wordt gevolgd door een consequentie die de kans vergroot dat het gedrag opnieuw wordt vertoond.
  • Motivatie: de trainer onderzoekt welke gevolgen voor het individuele dier waardevol zijn en gebruikt deze kennis om deelname aan training te stimuleren. Hierbij kunnen onder andere principes uit Preference Assessment, Reinforcer Assessment en Progressive Reinforcement Training (PRT) worden toegepast.
  • Rekening houden met leerfasen: nieuwe vaardigheden worden niet allemaal tegelijk gevraagd. Het dier krijgt de mogelijkheid om eerst afzonderlijke onderdelen te begrijpen en deze vervolgens geleidelijk te combineren.
  • Niet te veel tegelijk: de moeilijkheidsgraad wordt stap voor stap opgebouwd. Wanneer meerdere criteria tegelijkertijd veranderen, wordt het voor het dier moeilijker om te begrijpen welk gedrag wordt verwacht.
  • Rekening houden met soortspecifiek en instinctmatig gedrag: gedrag wordt bekeken vanuit de natuurlijke gedragsrepertoire, motivatie en biologische kenmerken van de soort én het individuele dier.
  • Individuele verschillen: leeftijd, ervaring, temperament, leerhistorie, fysieke toestand en eerdere ervaringen kunnen invloed hebben op hoe een dier leert.
  • Kennis en vaardigheden van de trainer: moderne diertraining vraagt meer dan alleen het kunnen uitvoeren van oefeningen. De trainer moet gedrag kunnen observeren en analyseren, leerprincipes begrijpen, trainingscriteria kunnen aanpassen en het welzijn van het dier kunnen bewaken.

Van uitvoeren naar samenwerken

Het belangrijkste verschil tussen traditionele en moderne diertraining is daarmee niet simpelweg welke techniek wordt gebruikt, maar de manier waarop naar het dier en het leerproces wordt gekeken.

De moderne trainer probeert niet alleen gedrag te controleren, maar creëert omstandigheden waarin het dier kan begrijpen, leren, keuzes kan maken en succesvol kan zijn. Training wordt daarmee een vorm van samenwerking die niet alleen functioneel gedrag oplevert, maar ook kan bijdragen aan dierenwelzijn, voorspelbaarheid, medische zorg en een betere relatie tussen dier en verzorger.

Associatieleren

Associatieleren is het leerproces waarbij een dier verbanden gaat leggen tussen gebeurtenissen, signalen, situaties of handelingen. Door ervaringen leert het dier bijvoorbeeld dat een bepaald geluid, object, persoon of gebeurtenis iets betekent of dat bepaalde gebeurtenissen met elkaar samenhangen.

Deze vorm van leren speelt een belangrijke rol in het dagelijks functioneren van dieren. Een dier kan bijvoorbeeld leren dat het verschijnen van een bepaalde verzorger betekent dat er iets aangenaams of juist iets spannends gaat gebeuren. Ook kan een dier leren dat een specifieke plek, beweging of situatie een bepaalde uitkomst voorspelt. Zo ontstaat betekenis op basis van eerdere ervaringen.

Associatieleren verloopt voortdurend en vaak zonder dat daar bewust een trainingsmoment voor nodig is. De omgeving biedt continu informatie waarop dieren kunnen leren anticiperen. Bij training is het daarom belangrijk om niet alleen te kijken naar het gedrag dat een dier laat zien, maar ook naar de verbanden en verwachtingen die door eerdere ervaringen zijn ontstaan.

Door deze leerprocessen te begrijpen, kunnen trainers bewuster omgaan met de signalen, situaties en ervaringen die zij dieren aanbieden. Dit helpt om voorspelbaarheid en vertrouwen te vergroten en om training beter af te stemmen op het individuele dier.

Operante conditionering

Diet is een vorm van associatieleren  waarbij een dier een verband legt tussen zijn eigen gedrag en het effect daarvan.

Gedrag dat leidt tot een gewenste uitkomst wordt doorgaans vaker herhaald, terwijl gedrag dat leidt tot een ongewenste uitkomst minder waarschijnlijk kan worden. Daarmee speelt operante conditionering een belangrijke rol in hoe dieren leren omgaan met hun omgeving.

Binnen de operante conditionering worden vier processen onderscheiden. Deze worden vaak aangeduid als de vier kwadranten. De termen positief en negatief verwijzen hierbij niet naar goed of slecht, maar naar respectievelijk het toevoegen of wegnemen van een prikkel. Bekrachtiging vergroot de kans op het gedrag, terwijl straf de kans op het gedrag verkleint.

  • Positieve bekrachtiging: er wordt iets toegevoegd wat het dier aangenaam vindt, waardoor de kans op het gedrag toeneemt. Bijvoorbeeld: een dier krijgt voedsel nadat het vrijwillig zijn neus tegen een target aanraakt.
  • Negatieve bekrachtiging: een onaangename of belastende prikkel wordt weggenomen nadat het dier een bepaald gedrag laat zien, waardoor de kans op dat gedrag toeneemt. Bijvoorbeeld: druk wordt verminderd wanneer het dier de gewenste beweging maakt. Dit kan fysieke druk zijn maar ook psychische druk. 
  • Positieve straf: er wordt een onaangename prikkel toegevoegd nadat een gedrag optreedt, waardoor de kans op dat gedrag afneemt. B.v. een hard geluid volgt het gedrag op. 
  • Negatieve straf: iets wat het dier waardeert wordt weggenomen nadat een gedrag optreedt, waardoor de kans op dat gedrag afneemt. Bijvoorbeeld: een korte pauze in de interactie wanneer een bepaald gedrag niet gewenst is.

Het is belangrijk om deze processen niet alleen als afzonderlijke trainingsmethoden te zien. Dieren leren voortdurend van de gevolgen van hun gedrag, ook buiten formele trainingssessies. Een trainer beïnvloedt daarmee, bewust of onbewust, steeds de leeromgeving van het dier.

Bij gedragsgerichte dierverzorging ligt de nadruk vaak op positieve bekrachtiging, omdat hiermee gewenst gedrag kan worden opgebouwd en samenwerking kan worden gestimuleerd. Tegelijkertijd is het belangrijk dat trainers de werking van alle vier de processen begrijpen. Dit helpt om beter te herkennen waarom gedrag verandert en welke gevolgen eerdere ervaringen kunnen hebben op het gedrag en de verwachtingen van het dier. Effectieve training vraagt daarom niet alleen om het kiezen van een bepaalde techniek, maar vooral om het zorgvuldig analyseren van gedrag, context en consequenties. Door hier bewust mee om te gaan, kunnen trainers leerervaringen creëren die duidelijk, voorspelbaar en zo min mogelijk belastend zijn, met aandacht voor het welzijn, de autonomie en de individuele behoeften van het dier.

Klassieke conditionering

Klassieke conditionering is een leerproces waarbij een dier een verband leert leggen tussen twee stimuli: twee gebeurtenissen of signalen uit de omgeving die aanvankelijk niets met elkaar te maken lijken te hebben. Een neutrale stimulus is in eerste instantie niet of nauwelijks betekenisvol voor het dier en roept geen specifieke aangeleerde reactie op. Wanneer deze stimulus herhaaldelijk wordt aangeboden in combinatie met een stimulus die van nature al een bepaalde reactie oproept, kan de voorheen neutrale stimulus die reactie uiteindelijk zelf gaan uitlokken.

Een eenvoudig voorbeeld is het geluid van een voederbak. Het geluid heeft aanvankelijk geen bijzondere betekenis. Wanneer het echter herhaaldelijk wordt gevolgd door voedsel, kan het dier na verloop van tijd al reageren op het geluid alleen. Het dier kan bijvoorbeeld naar de voerplek lopen, alert worden of andere signalen van verwachting laten zien voordat het voedsel daadwerkelijk aanwezig is.

Klassieke conditionering vindt vaak automatisch plaats en hoeft niet bewust of doelgericht te worden aangeleerd. Het dier hoeft niet te begrijpen waarom twee gebeurtenissen met elkaar samenhangen; door herhaalde ervaringen kan de associatie ontstaan. Hierdoor kunnen dieren leren anticiperen op gebeurtenissen die voor hen belangrijk zijn.

Dit leerproces speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van emotionele reacties, verwachtingen en anticiperend gedrag. Een dier kan bijvoorbeeld spanning opbouwen bij het zien van een transportkist wanneer die kist in het verleden herhaaldelijk is gevolgd door een stressvolle gebeurtenis. Omgekeerd kan een dier juist positieve verwachtingen ontwikkelen wanneer een bepaald signaal consequent wordt gevolgd door voedsel, spel, aandacht of een andere gewenste gebeurtenis.

Klassieke conditionering is daarom ook belangrijk binnen diertraining. Trainers maken gebruik van bestaande associaties en kunnen nieuwe associaties opbouwen door stimuli zorgvuldig met elkaar te koppelen. Denk bijvoorbeeld aan het koppelen van een clicker- of markeringssignaal aan een beloning. Het signaal krijgt door deze koppeling betekenis en kan vervolgens een verwachting van de beloning oproepen. Ook emotionele reacties kunnen door conditionering veranderen. Een prikkel die eerder spanning opriep, kan door herhaalde koppeling aan veilige en positieve ervaringen een andere betekenis krijgen.

Daarbij is timing essentieel. Hoe duidelijker de relatie tussen de twee gebeurtenissen voor het dier, hoe groter de kans dat er een associatie ontstaat. Ook de voorspelbaarheid, frequentie en aard van de koppeling spelen een rol. Een eenmaal aangeleerde associatie kan bovendien veranderen wanneer de oorspronkelijke verwachting herhaaldelijk niet meer wordt bevestigd. Dit wordt onder andere beschreven als extinctie: de geconditioneerde respons neemt af wanneer de geconditioneerde stimulus niet langer wordt gevolgd door de gebeurtenis waarmee deze eerder was gekoppeld.

Klassieke conditionering is daarmee een fundamenteel leermechanisme binnen het gedrag van dieren. Het helpt verklaren waarom dieren bepaalde signalen, situaties, locaties, personen of objecten positief of negatief kunnen gaan waarderen, waarom zij gebeurtenissen kunnen voorspellen en hoe emotionele reacties door ervaring kunnen ontstaan of veranderen.

De Russische fysioloog Ivan Pavlov beschreef het principe van klassieke conditionering systematisch in zijn onderzoek met honden. Zijn onderzoek vormde een belangrijke basis voor het wetenschappelijke onderzoek naar leren en gedrag. Klassieke conditionering is sindsdien uitgegroeid tot een kernbegrip binnen de gedragswetenschappen en vormt een belangrijk onderdeel van de theoretische basis voor het begrijpen van diergedrag en diertraining.

Functie, voorwaarden en kenmerken

Functie

De functie van Klassieke conditionering is dat het de voorspelbaarheid van de omgeving vergroot. De functie van Operante conditionering is dat het de controle over de omgeving vergroot. 

Voorwaarde

De voorwaarde van associatieleren is dat de prikkel en het gevolg elkaar binnen 0,5 sec. moeten opvolgen, dus snel. Er kunnen wel verschillen in snelheid zijn tussen diersoorten. Er is ook herhaling van de combinatie noodzakelijk om dit verband te kunnen vastleggen. 

Kenmerken

De kenmerken van associatieleren zijn:

  1. Generalisatie wat inhoudt dat een dier het vermogen bezit om hetzelfde gedrag te laten zien als reactie op een prikkel die lijkt op de oorspronkelijke prikkel. 
  2. Discriminatie wat betekent dat een dier onderscheid kan maken tussen prikkels die op elkaar lijken. 
  3. Extinctie wat betekent dat gedrag kan uitdoven, wanneer het niet meer beloond wordt. Het is echter wel onderhevig aan weerstand om uit te doven en kan leiden tot frustratie of hevige agressie, wat Uitdovingsweerstand wordt genoemd ofwel Extinction Burst
Fasen in het leren

Fasen in het leerproces

Een dier doorloopt bij het aanleren van nieuw gedrag verschillende fasen. Elke fase vraagt een andere aanpak van de trainer. Het is belangrijk om pas verder te gaan wanneer het dier de huidige stap voldoende beheerst.

1. Verwerven
Het dier ontdekt welk gedrag gewenst is en leert wat het moet doen. De trainer maakt de oefening eenvoudig en beloont het gewenste gedrag direct. De Aanleerfase.

2. Versterken

Het dier voert het gedrag steeds vaker en betrouwbaarder uit en weet wat de bedoeling is. De trainer herhaalt de oefening en zorgt voor voldoende succesvolle herhalingen. Tijdens deze fase leert men het signaal aan maar ook de duur,  de intensiteit en de frequentie van het gedrag. De Beheersfase.

3. Generaliseren
Het dier leert het gedrag ook uit te voeren wanneer de omstandigheden veranderen, bijvoorbeeld op een andere locatie, met een andere persoon of met meer afleiding. De Beheersfase. 

4. Behouden
Het gedrag wordt onderdeel van het repertoire van het dier. Regelmatig oefenen en passende bekrachtiging zorgen ervoor dat het gedrag betrouwbaar blijft. De Onderhoudsfase.

5. Toepassen
Het dier kan het geleerde gedrag zelfstandig en functioneel inzetten in de dagelijkse praktijk, bijvoorbeeld tijdens verzorging, transport of medische handelingen.

Belangrijk: leren verloopt niet altijd lineair. Een dier kan een stap beheersen en later toch extra ondersteuning nodig hebben. Pas de moeilijkheid, omgeving en bekrachtiging aan op wat het dier op dat moment aankan.

Trial & Error

Dit is het proces waarbij een dier verschillende handelingen uitprobeert en leert van de gevolgen van elke poging. Successen worden onthouden en herhaald, terwijl ineffectieve of onbevredigende handelingen na verloop van tijd worden opgegeven. Deze vorm van probleemoplossing is wijdverspreid in het dierenrijk en ligt ten grondslag aan veel natuurlijk foerageren, verkennen en innovatief gedrag. Het benadrukt de actieve rol van het dier als experimentator binnen zijn omgeving. 

Kenmerken

1. Uitproberen
Het dier probeert verschillende gedragingen uit om een oplossing te vinden.

2. Gevolg ervaren
Het dier merkt wat het gevolg is van een bepaald gedrag. Het gevolg kan bijvoorbeeld toegang tot voedsel, een object, ruimte of een andere gewenste situatie opleveren.

3. Succes herkennen
Een gedrag dat een gewenst resultaat oplevert, krijgt meer betekenis voor het dier.

4. Herhalen
Het dier gaat het succesvolle gedrag opnieuw proberen. Door herhaling wordt de kans groter dat het gedrag opnieuw wordt ingezet.

5. Efficiënter uitvoeren
Het dier leert welke aanpak het beste werkt en gaat het gedrag sneller en doelgerichter uitvoeren.

Trial & Error is vooral waardevol bij probleemoplossend gedrag. De trainer hoeft niet altijd direct te laten zien wat het dier moet doen, maar kan ruimte geven om zelf oplossingen te ontdekken. Daarbij is het belangrijk dat de taak haalbaar is en dat fouten geen angst, frustratie of onnodige stress veroorzaken.

PRT- Positive Reinforcement Training

Definitie Positive Reinforcement Training (PRT)

Positive Reinforcement Training (PRT) is een trainingsmethode waarbij gewenst gedrag wordt gevolgd door een consequentie die voor het dier waardevol is, waardoor de kans toeneemt dat het gedrag in vergelijkbare situaties opnieuw wordt uitgevoerd.

De bekrachtiger kan bijvoorbeeld bestaan uit voedsel, spel, toegang tot iets waardevols, sociale interactie of een andere consequentie die het individuele dier motiveert.

De kern van PRT is niet het geven van een beloning, maar het versterken van gedrag: alleen wanneer het gedrag daadwerkelijk vaker voorkomt als gevolg van de consequentie, is er sprake van positieve bekrachtiging.

PRT is ook een op een zo positief mogelijke manier gaan trainen, met de focus op positieve trainingstechnieken zodat de meest positieve emotionele staat bereikt wordt. 

De Technieken

Hieronder staat een overzicht van de meest gebruikte trainingstechnieken binnen moderne diertraining. Deze technieken zijn gebaseerd op leerprincipes uit de operante en klassieke conditionering en worden afhankelijk van het trainingsdoel, de diersoort en het individuele dier toegepast.

  1. Shapen/vormen
  2. Capture/vangen
  3. Lure/lokken
  4. Targeten
  5. Chainen
  6. Stationeren

Voor de verschillende doeleinden kunnen verschillende technieken worden toegepast. Belangrijk is dat de trainer deze technieken beheerst en ook belangrijk om te weten is dat per dier de techniek kan verschillen. 

 

Sociaal leren

Sociaal leren treedt op wanneer een dier nieuw gedrag of nieuwe informatie verwerft door de acties van anderen en de gevolgen daarvan te observeren. Deze vorm van leren vermindert de noodzaak tot vallen en opstaan, waardoor individuen zich efficiënter kunnen aanpassen door succesvolle strategieën te kopiëren die ze zien bij soortgenoten of menselijke verzorgers. Sociaal leren speelt een cruciale rol in het overleven van soorten, de culturele overdracht van gedrag en de flexibiliteit van gedrag in veranderende omgevingen. Het wordt vaak waargenomen bij soorten die zeer sociaal zijn, een lange kindertijd hebben en in complexe omgevingen leven.

Habituatie

Habituatie of Gewenning is een fundamentele vorm van leren waarbij een dier zijn reactie op een herhaalde, onschadelijke prikkel vermindert. Gewenning vindt doorgaans passief plaats in de loop van de tijd, zonder gestructureerde bekrachtiging. Het stelt dieren in staat energie en aandacht te besparen door irrelevante of niet-bedreigende aspecten van hun omgeving te filteren, waardoor het een cruciaal proces is voor het navigeren in complexe en dynamische omgevingen.

Angst, ontsnappen en vermijden

Wat is angst?

Angst is een natuurlijke emotionele reactie op een bedreiging of op een prikkel die als bedreigend wordt ervaren. Het helpt een dier om gevaar te herkennen en daarop te reageren. Angst kan leiden tot gedrag zoals vluchten, vermijden, bevriezen, afstand vergroten of, wanneer vluchten niet mogelijk is, agressief reageren.

Angst kan aangeboren zijn, maar ook door ervaring worden aangeleerd. Door klassieke conditionering kan een aanvankelijk neutrale prikkel een angstreactie gaan oproepen wanneer deze herhaaldelijk wordt gekoppeld aan een negatieve ervaring.

De reactie verschilt per individu en wordt beïnvloed door onder andere eerdere ervaringen, genetische aanleg, leeftijd, gezondheid, omgeving en de mate waarin het dier controle heeft over de situatie.

Bij diertraining is het belangrijk angst niet te verwarren met ongehoorzaamheid of een gebrek aan motivatie. Angst beïnvloedt het vermogen van een dier om informatie te verwerken en nieuw gedrag te leren. Daarom moet eerst worden gekeken naar de oorzaak en naar wat het dier nodig heeft om zich veilig genoeg te voelen om te kunnen leren.

Vermijdingsgedrag en ontsnappingsgedrag

Binnen de operante conditionering vallen vermijding en ontsnapping onder negatieve bekrachtiging. In beide gevallen leert het dier dat bepaald gedrag ervoor zorgt dat een onaangename of aversieve situatie wordt voorkomen of beëindigd. Het verschil zit vooral in wanneer het gedrag wordt uitgevoerd. 

Vermijdingsgedrag

Bij vermijdingsgedrag voert het dier gedrag uit voordat de onaangename prikkel aanwezig is. Door het gedrag uit te voeren voorkomt het dier dat de prikkel optreedt.

Ontsnappingsgedrag

Bij ontsnappingsgedrag is de onaangename prikkel al aanwezig. Het dier voert gedrag uit waardoor de prikkel stopt, vermindert of verdwijnt.

Waarom is dit belangrijk bij diertraining?

Vermijding en ontsnapping kunnen zeer effectief worden aangeleerd, omdat het dier direct controle kan ervaren over een onaangename situatie. Tegelijkertijd kan hierdoor een gedrag sterk worden en zich uitbreiden naar andere situaties.

Bijvoorbeeld: een dier dat herhaaldelijk ontdekt dat weglopen medische handelingen voorkomt, kan steeds eerder gaan vluchten zodra het signalen van de handeling herkent. Dit kan uiteindelijk leiden tot sterke anticipatie en vermijdingsgedrag.

Daarom is het bij training belangrijk onderscheid te maken tussen wat het dier doet, waarom het dat gedrag doet en welk gevolg het gedrag heeft. Een dier dat wegloopt is niet automatisch “ongehoorzaam”; het gedrag kan functioneel zijn omdat het een onaangename situatie voorkomt of beëindigt.

Actueel

Uit de blog